Talent en kunstenaarschap

We spreken van talent als je een bepaalde aanleg hebt – een ontwikkeld vermogen – voor bijvoorbeeld het maken van beeldende kunst. Maar van welke ontwikkeling is die ‘aanleg’ eigenlijk een gevolg? En wanneer werd dat vermogen ontwikkeld? Zou het erfelijk zijn, zit het in je DNA dat je van je ouders meekrijgt? Er zijn nogal wat voorbeelden van kunstenaars bij wie dat beslist niet zo kan zijn. Neem Leonardo da Vinci, een onecht kind van een notaris en een boerendochter, of molenaarszoon Rembrandt van Rijn, Vincent van Gogh, telg uit een domineesfamilie, Paul Citroen, zoon van een bonthandelaar of Karel Appel wiens vader een kapperszaak dreef. En zo kan je nog een hele lange waslijst maken. Bovendien verandert ons DNA-patroon steeds tijdens ons leven. Ook wordt het niet altijd ‘aangeschakeld’; niet iedereen krijgt immers een bepaalde ziekte die latent in z’n genen zit. DNA draagt dus hooguit een kans in zich. Genen zijn instructies voor de aanmaak van eiwitten; er zijn helemaal geen genen voor bijzondere talenten die mensen zouden kunnen erven. Er zijn wetenschappers die vinden dat dingen die ze niet kunnen verklaren domweg niet bestaan, of noemen het ‘toeval’, een nogal onhandige  manier om te zeggen dat je het niet weet. Nee, logischerwijs moet er dus een voorafgaande ontwikkeling zijn voor het vermogen, de aanleg, het talent of hoe je het wilt noemen dat je nu schijnbaar ‘zomaar’ hebt.

Dat de Griekse filosoof Socrates (470-399 v. Chr. – zijn vader was overigens beeldhouwer en zijn moeder vroedvrouw) tot de filosofen behoort die de grootste invloed hebben gehad op het europese denken, is mede te danken aan zijn dramatische dood. Een jury van 501 mannen veroordeelde hem tot het drinken van de gifbeker. Zijn leerling Plato tekende Socrates’ moedige verdedegingsrede op in zijn dialoog Phaedo of Phaidon. Het gaat daarbij onder meer over de vraag hoe het kan dat Socrates zo opgewekt is, kort voor zijn executie. Socrates verklaart dat de plaats waar hij na zijn dood heen gaat niets afschrikwekkends voor hem kan hebben, want bij alle paren van tegenstellingen gaat het één over in het tegengestelde via overgangsvormen. Je kunt vaststellen dat de vorm altijd een toestand aanduidt van iets. Anders gezegd: de verschijning van dat iets is slechts een overgang van de ene toestand naar de andere. Eigenlijk gaat alles wat bestaat voortdurend over in een andere vorm. De rups die een vlinder wordt is één van de duidelijkste voorbeelden van zo’n cyclisch proces. Over langere termijnen strekt zich die cycliciteit uit over woestijnen die zeeën worden en tropische regenwouden die poolgebieden worden en omgekeerd.

Leven en dood is ook zo’n paar van tegenstellingen die eigenlijk overgangsvormen zijn, die procesmatig uit elkaar voortkomen en in elkaar overgaan; dat men uit de dood tot het leven komt en uit het leven tot de dood. Voor Socrates – en niet alleen voor hem – is het duidelijk dat er tijdens de toestand die wij ‘dood’ noemen, een plaats moet zijn waar de ziel verblijft. Ook ligt dan voor de hand dat degene die sterft, opnieuw zal leven. Het is een sluitende redenering waarmee ook Plato de leer van dit oerfenomeen, dat in vele religies en filosofische stelsels is terug te vinden, uit de sfeer van geloof haalde en binnen ons intellectuele bereik heeft gebracht.

Wie sterft zal dus opnieuw leven. En wie opnieuw leeft heeft dus, na een lange rustperiode, een eerder leven (en meerdere levens) achter de rug. Daarin zijn vele vermogens ontwikkeld, net zoals dat in dit leven het geval is. Als je goed oplet, is bij veel kunstenaars ook wel enigszins te zien uit welke tijd hun aanvankelijke ontwikkeling en belangstelling op dit gebied zou kunnen stammen. Ze gaan in dit leven gewoon door met waar ze in hun vorige belichaming waren gebleven en ontwikkelen zich verder. Net zoals je na een verkwikkende nachtrust (een korte rustperiode waarbij de band met je lichaam blijft bestaan) je je bezigheden van de vorige dag weer oppakt…